Geschiedenis Caland I & II
De Rivierstraat kenmerkt zich door twee grote pakhuizen. De pakhuizen zijn beide rond 1860 gebouwd en lagen aan de tussen 1854 en 1856 gegraven Westerhaven. Vandaag de dag zijn het twee woongebouwen, te weten “Caland I” en “Caland II”. De Westerhaven is in 1902 gedempt en de gebouwen zijn dus nu te vinden op de hoek van de Rivierstraat en de Calandstraat.
Caland I en II zijn qua omvang ongeveer even groot en zijn van origine in een U-vorm gebouwd. Beide gebouwen zijn ongeveer 20 meter hoog en zijn gebouwd op koeiehuiden wat betekent dat er geen kelder aanwezig is. Aan de buitenkant van Caland I en II zijn muurankers (bolders) en katrollen te zien. De functie hiervan wordt later toegelicht. De gebouwen hadden meerdere ingangen (poorten) met grote deuren. Op die plaatsen bevinden zich nu grote ramen. De buitenkant van de gebouwen is op wat aanpassingen na eigenlijk niet gewijzigd.
De binnenplaats van Caland I is smaller en dieper dan de rechthoekige binnenplaats van Caland II. Dit heeft alles te maken met de functie die de binnenplaatsen in het verleden hadden gehad.
Caland I was in eerst instantie een lijnzaadverwerkend bedrijf waar men lijnolie (een basis voor verfstof) uit vlaszaad perste. De persfabriek bevond zich op de 3e en 4e etage terwijl de onderste verdiepingen fungeerden als opslag. Het was een redelijk groot bedrijf en de aanvoer van grondstoffen verliep o.a. via de Westerhaven. Er was een constante aanvoer van de Westerhaven (nu Calandstraat) alwaar het vlaszaad met trechters werd gelost in handkarren die dan geduwd moesten worden richting de binnenplaats van het gebouw. Daar stond een zuiger die het vlaszaad naar boven stuwde. Aan de achtergevel van Caland I bevond zich de schoorsteen. De muurankers functioneerden niet als aanlegpunt voor de schepen maar als geleider voor de touwen waarmee de grondstoffen en andere goederen met behulp van de katrollen naar boven gehesen werden. De grondstoffen werden in de Twee Wereldoorlog schaars en het lijnzaadverwerkend bedrijf kwam stil te liggen. De zuiger is in die tijd weggehaald.
In Caland II is op 3 mei 1856 aan de Westerhaven de naamloze vennootschap opgericht onder de naam: Van der Kun, Van Rijckevorsel, Oschner & Co (KRO). De vennootschap richtte de Rotterdamse Stoom-, rijstpel- en meelmolen op. In 1857 is het gebouw en de molen in gebruik genomen. Het gebouw bestond uit vier ruimtes: een rijstpelmolen en een meelmolen aan de havenzijde, waartussen de machinekamer lag. Achter de machinekamer lag het ketelhuis. De oorspronkelijke machineinstallatie werd ontworpen en geleverd door de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (Etablissement Feijenoord). De Stoom, rijstpel- en meelmolen NV ging in 1899 failliet. Het restant van de schoorsteen is na de oorlog definitief verwijderd wegens instortingsgevaar. Alleen de gietijzeren pilaren van het voormalige ketelhuis staan er nu nog.
Tijdens de oorlog zijn beide pakhuizen bezet geweest door de Duitsers. Na de oorlog werd Caland I een wijnpakhuis van de firma Reuchlin. Reuchlin was een zeer groot bedrijf met een bekende naam. De wijnen werden gebotteld op het handelsterein in de Vollenhovenstraat. In tegenstelling tot wat velen denken: er heeft nooit tabak in Caland I opgeslagen gelegen. Tabak was een zwaar belast produkt en diende als zodanig bij de Stieltjesstraat opgeslagen te worden. Daar bevond zich immers de douane.
Caland II werd na het faillissement van de Rotterdamse Stoom-, rijstpel- en meelmolen NV gebruikt als opslag en kantoorruimte. Uiteindelijk betrok de firma Klaassen, een groothandel in bevestigingsmaterialen, het pand.
In 1982 is in de voormalige Lijnzaadverwerkende fabriek het woongebouw Caland I geopend. Het pand van de Rotterdamse Stoom-, rijstpel- en meelmolen is op 26 augustus 1992 geopend als woongebouw Caland II. Nu bevinden zich per gebouw ongeveer 75 units met per gebouw 132 bewoners. Beide gebouwen zijn nu eigendom van Stadswonen.